"...en onopgemerkt, in onopvallende kledij rondlopen en door iedereen met rust gelaten worden, dat is prachtig. Met al je zenuwen en al je gevoeligheid."
Gerard Reve

New Street Art revisited


As next week (Wednesday, June 1, 2016) the second edition of New Street Art by Claude Crommelin will be officially presented (Brick Lane Bookshop, London),  I thought it helpful to translate my review of the first edition (New Street Art, April 6, 2013) into English. So that more people may share my enthousiasm for this inspirational book.


The street, always the street, that unpredictable combination of purpose and blunder. Newspaper flies over sidewalk,  tree drops some leaves exposing accidental bird, car bumps softly into lamppost -  lamp lights up and a man carefully focusses his camera on the wildly painted wall,  the famous actrice patters by on the exact moment he presses the button. The street is stage for improvisation on the theme intention versus coincidence.

In 2008 the Amsterdam photographer Claude Crommelin moved to London. As soon as he started scouting-out his new neighbourhood, he stumbled on a surprising quantity of high-level street art. He bought a tiny digital camera and on almost daily expeditions began to photograph every piece he liked. Then he decided to put these pictures together on flickr, http://www.flickr.com/photos/claudelondon/.  Being a persistent guy he built a large collection of pieces and an extensive documentation on London street-artists to boot.  Now, five years later, his book is here: NEW STREET ART,  by Claudelondon.


It is a sturdy, square shaped (211 x 211 x 22 mm.) book, that I have trouble putting aside ever since I layed my  eager hands on it.  The selection of the pieces is of great quality, the pictures are clear and subtle, the ostensibly modest bits of text hide a treasure of information.  Of course the bookdesign gives the pictures priority - each of the 272 pages  has one or more splendidly reproduced. But in the margin Claudelondon manages to tell a lot about the makers and their work,  to investigate the mores  in street art and to relate the   often comical – incidents that occurred while hunting the volatile street-artists. Thus he intertwines the personal histories of artists coming from all corners of the world with his own story - vagrant birds of a feather.

To read this book is like being on a hunt with him through the streets of Shoreditch;  again and again with a stir of anticipation I turn the page, as if I turn a corner to see what the next street has to offer. Hasty, since many a piece is granted only a short life. Which for me is precisely the essence of this artform: the whithering of a piece through time  makes it an ode to the transience of the street.

Since I have known Claudelondon as a avid birder, I expected his book to sport at least a folding map of the burrow covered by a colourful confetty of cyphers indicating pieces by location, overlapping circles (breeding grounds) and patterns of artist migration. And of course the unavoidable app to facilitate the reader who wants to tour East London guided as in a museum. But non of this is here - and I do not miss it at all. The city street is ever changing;  pavement gets broken up, new lampposts appear, walls are torn down. Street art is simply part of street life and many an artist turns out to be more elusive than a bird ever was.

The non-organized or rather the untamed character is street arts’ hallmark. It is an expression from below, literally: from the streets. As such it is the exact opposite of the topdown organised urban embellishment project. Even though a singular street artist who has made a name for himself takes money from the authorities to paint the fences around a disputed construction-site (as  Shepard Fairey aka Obey did at the Central Station in Amsterdam).

That is why my favourite part of NEW STREET ART is the grey coloured section in the back, called The unknown artists. It contains the persistantly anonymous pieces whose makers even the fanatic Claudelondon has not managed to trace down. They remain as anonymous as a kerb, a streetlamp, a passing cat. But they are just as undeniably there. For me that is hard-core street art. And I am glad this twitcher also mentions the birds he saw but could not put a name to. Way to go, BrunaDude!







May 29, 2016

Mijn vader komt langs




Mijn vader, halverwege de zestig, zie ik nu vaker dan vóór de scheiding. Brengt mijn moeder hagelslag voor me mee en soms zelfs taartjes, hij komt meestal aan met scheldtirades. Zodra de buitendeur achter hem dicht is gevallen en hij de trap beklimt begint hij.
“Alweer tegen m’n poot gereden door zo’n poepdoos op wielen! Met zo’n dikke miep erop. Die alleen maar in d’r spiegels kijkt.”
 Hij komt hijgend boven.
“Of d’r haar nog wel hoerig zit!”
“Ben je gewond?”
“Nee jongen, ik red me wel. Hij trekt zijn jas uit.
“Ja en dan nog een grote bek ook! Ik verstond er geen woord van. Maar ze was zo vriendelijk om er het bekende gebaar met de middelvinger bij te maken. Zodat de strekking duidelijk was.
Die scooters zijn een plaag! Geen fietspad is meer veilig, jongen. En als ze geparkeerd staan, met hun dikke konten de hele stoep versperren, en je wurmt je er langs, beginnen ze moord en brand te piepen! Overal in de stad  hoor je dat gejank om niets! Als verwende, volgevreten kinderen, die om ijs blijven janken. Dáár moet je eens een stukje over schrijven! ”
“Ik zet even koffie.”
In de kamer blijft hij gestaag doorfoeteren.
“Soms zit er ook nog zo’n debiele doos achterop. Trekt dat Vespa’tje kermend en kwijlend een bruggetje op. Terwijl ik ze lachend voorbijfiets. Maar even later hoor ik alweer dat dwingende Micky Mouse-peppertje achter me. Moet ik maken dat ik aan de kant ga. En stinken dat ze doen! Ga er maar eens achter staan, bij een stoplicht. Twee-takt-tokkies zijn het!”
“Het zijn toch niet alleen meiden op zo’n scooter?” roep ik, boven het geblaas van het klaarkomend koffieapparaat uit.
“Nee, jongen, dat kan je niet schrijven! Het is trouwens begonnen met die scheurende pizza-cowboys, die houden helemaal nergens rekening mee. Ik heb een paar keer zo een onderuit zien gaan, vooral ’s avonds is dat mooi: ze maken een lange schuiver met een fantastische straal vonken achter zich aan! En dan heb je natuurlijk die lui die wel iemand voor je willen omleggen tegen een kleine vergoeding. Je moet schrijven: het is handel, pizza’s en kogels, en het eindigt met tomatensaus op de straat. Dat is een goed beeld, dat moet je gebruiken. Je kunt ook nog die ijdele mannen noemen, met een zonnebril in hun vette haar, met zo’n verzameling bijtringen om hun pols en met hun blote voeten in geklede schoenen. Kantoorknechten en toch spannend. Gisteren zag ik er een rijden met een bijpassend dekentje over zijn spillebeentjes! Maar ik begrijp die kerels ook niet; een fiets, een brommer, een motor, daar zit je op als op een paard. Maar een scooter, daar zit je op als op een plee!”
Als ik met de koffie de kamer in kom, staat hij met met beide handen aan zijn nieuwe baard plukkend uit het raam te kijken.
“Lekker, dank je. Hier beneden staat er ook een. Kijk, dwars op de stoep.  En straks gillen als je er langs loopt.”
“Ja, dat zei je.”
“En achterop zo’n enorme roze beauty-case, zie je? Met die twee zijspiegels en dat windscherm is het gewoon een make-up tafel. Zo een als je moeder had vroeger. Schrijf dat er gewoon bij.”
“Net was het een poepdoos en nu weer een make-up tafel, je moet wel kiezen, pa.”
“Poepdoos, kaptafel, wat maakt het uit, ik wil alleen maar zeggen: ze zijn midden in het verkeer alleen met zichzelf bezig. In de spiegel turen en in hun telefoontje kletsen.”
“Ik heb al een jaar geen stukjes meer geschreven, weet je dat wel? Een jaar.”
“Ja, je bloggers-block. Is het je trouwens wel eens opgevallen hoe die meisjes – elke keer als ze hun telefoontje opnemen – hoe hun hele chagrijnige gezicht dan opeens geweldig opvrolijkt? Er verschijnt direct een stralende glimlach op. Alsof ze horen dat ze de loterij gewonnen hebben. Elke keer weer. Lach jij als je gebeld wordt? Ik niet.”
“Nee, maar ik ga daar dus niet over schrijven. “



Hij zet zijn beker met een klap op het tafeltje en staat in dezelfde beweging op.
“Hier aan het eind van de straat, daar staat een hele kudde! Dikke scooters in alle kleuren. Geen hond kan er langs.”
“Bij die sportschool?” Meteen betreur ik mijn woorden.
“Zit daar ook alweer zo’n sportschool? Ook zo’n epidemie. En een volkomen foute benaming. Wat ze  –“
“Ja, ik weet het: Wat ze daar doen is geen sport want er is geen wedstrijd en er valt niks te winnen. En het is geen school want er wordt geen kennis overgedragen.”
“Precies! Ik had het niet beter kunnen zeggen! Heb je ook nooit over geschreven. Een sportschool is een schoonheidssalon. Van dezelfde soort als een tatoeagetent of een bruiningsinstituut. Professioneel bruin worden, staat er op het raam. Weet jíj wat dat is: professioneel bruin?”
Hij gaat weer zitten. Ik tuur intens naar mijn horloge. Tien over tien, horlogewinkeltijd.
“Ik wou je graag nog koffie geven, pa, maar ik krijg hier zo een paar studenten met hun scripties. Dus –“
“Ach, ik moet ook weer verder, jongen. Werk gaat voor. Ik kom wel weer eens langs om met je te oudehoeren. Deo dorante. Ik heb zo veel onderwerpen die smeken om een stukje…”
Hij gaat zijn jas pakken. De bel rinkelt. Hij loopt het portaal op en trekt met de houten hendel aan het touw. De buitendeur zwaait open. Drie meisjes komen de trap op hollen, alledrie met hun smartphone in de hand. “Het was echt wel de chillste avond van het hele jaar”, roept de laatste, terwijl de eerste haar jas uittrekt en mijn vader groet met “Dag meneer.”
“Ah, alle goede dingen komen in drieën”, zegt de meneer, “gratie, schoonheid en leergierigheid.”
 “Dat is mijn vader”, beken ik. “Hij gaat net weg.” Ik loop de kamer weer in, ik hoor de studenten in de gang met mijn vader praten.
“Nee, ik ga weer naar mijn eigen hok, ik ben al een paar jaar het huis uit, moet je weten”, hoor ik hem zeggen. Gelach. “Ik woon nu in de oude hoerenbuurt, maar dat hadden jullie natuurlijk al geraden.” Ik breng zijn lege koffiebeker naar de keuken. Zijn denkbeeldige hoed lichtend laat hij de meisjes hoffelijk passeren en stapt dan de deur uit naar de trap. “Ik ben de Grote Chill”, galmt zijn stem van beneden, “ik chill alles wat jullie chillen!” De buitendeur slaat dicht. Dan klinkt keihard het verontwaardigde alarmsignaal van een scooter.

21 april 2015



 





Sauls' nieuwjaarstoespraak



Toen ik op eerste kerstdag gedachteloos de tv aanzette, zag ik een man in een donkerblauw pak stijfjes naast een haardvuur zitten. Hij keek strak in de camera en was bezig een tekst op te zeggen. Het was de koning van Nederland. De taal was Nederlands. Ik verstond er geen woord van. Er was geen touw aan vast te knopen, hoe ingespannen ik ook luisterde. Dat had ik met de toespraken van zijn moeder ook wel, maar daar van kon ik tenminste de toon de rest van de dag vrolijk imiteren. Nu  bleef ik na afloop zitten met het gevoel dat ik mijn eigen taal niet meer begreep, sterker nog: het gevoel dat mijn hoofd van elke taal ontdaan was.

Ik stond op en vanuit die leegte keek ik de kamer rond, op zoek naar woorden. Ik fixeerde mijn lege blik op een houten keukenstoel. Niets kwam op in mijn ontruimde taalcentrum. De stoel wachtte onzeker op zijn benoeming. Tot ik eindelijk uitstootte: "De stoel staat." Ik haalde opgelucht adem. "De stoel staat. De mens zit." Zo. Ik voelde mijn vertrouwen schoorvoetend terugkeren. "De stoel staat. Te wachten. Tot de mens zit."

Ik liep naar het raam. Ik zag de linde zijn kale takken naar de wolken uitstrekken. "Een boom is een buis. Met aan de uiteinden een hoop dunne uitsteeksels. Aan de ene kant in de lucht, aan de andere kant in de grond." Tot zover was de symmetrie helder. Ik stak een vinger omhoog. "Die boom leeft niet, die boom is  leven. Hij is één manifestatie, één uiting van het leven op deze planeet. Die linde is leven, de kraai die er in zit is leven, de mens Mager die er naar staat te kijken is leven. Meer niet."

Nu kregen de tastbare woorden echt vat op me en ik vervolgde met enige stemverheffing: "Die boom en die vogel die gaan niet piekeren over wat ze wel met dat leven moeten beginnen, over wat er na dat leven komt en over al die andere onzin, welnee! Ze zijn immers dat leven en dat is genoeg. Het is: eten en poepen en daartussen slapen. Dat is alles. Ja, en natuurlijk voortplanten, de zaak aan de gang houden. Al behoorlijk wat toch? Meer hoeft echt niet.

Ik dank u voor uw aandacht en wens u een goed nieuw jaar toe."


26 december 2013




Bijziende in de buitenlucht

Mager brengt de laatste warme julidagen door op de boerderij, ver van het lawaai van de stad. Al direct na aankomst is zijn bril gesneuveld, toen hij bij het verlaten van het geitenhok met zijn gezicht tegen een dwarsbalk opliep. Mager (OD & OS Sf - 4,25) heeft besloten de rest van zijn verblijf op zijn oren te vertrouwen.

Eerst is er de kreet van een meeuw. Steeds maar die meeuw. Tot hij zijn ogen opslaat; hij ligt in bed, op zijn zij, met open mond. De meeuw is zijn eigen ademhaling. Het is vroeg in de ochtend. Hij wil zich omdraaien maar nu hoort hij de geiten om hun ontbijt mekkeren.

Later wandelt hij op het naburige landgoed onder het oorverdovende ruisen van de bomen. Prachtig ruisen. Vol betekenis. Maar welke? Abstracte muziek. Vlak voor hem vertoont het zandpad steeds vreemde, donkere gaten.
Weer terug op de boerderij ziet hij door zijn oogharen hoe paardenmeisjes een viertal paarden uit de manege komen brengen om in de grote wei te laten grazen. Met hun vliegenmaskers lijken de paarden op omsingelde bankrovers in een horse-western, ze beginnen direct onderling te bakkeleien over wie er nu de baas is en ze delen hoorbaar rake schoppen uit.

Die middag op het strand loopt Mager  met opgestroopte broekspijpen langs de branding. Zijn ogen tot spleetjes toegeknepen, geen bril is ook geen zonnebril. Uit angst voor verbranding heeft hij zijn overhemd aangehouden. En terwijl zijn vriendin verderop ligt te zonnen en hij met bleke blote voeten door het water pletsend naar de golven luistert - valt hem zomaar, pats boem een gedicht in.

Bronstig, de mond vol schuim, rollen de golven aan
om telkens met een sisser af te lopen,
me de zon voor de voeten te werpen en dan
op het matte zand een miniem dijkje achter te laten. 

Zo, dicht ik verblind, schrijft de zee haar regels,
wist ze uit, herschrijft en wist ze weer.

Toe maar. Hij gaat op zijn knieën zitten bij een kleine kwal. Hij tuurt door de convexe lens. "En leesbaar zonder bril", mompelt hij. Wat hij ziet is een veelkleurige bergketen van schelpenscherven, een abstract mozaïek.

Na het avondeten zit Mager onder de grote linde op het erf te suffen. De kruin van de boom die in bloei staat gonst van de ontelbare zweefvliegen en hommels. "Als ze nu eens allemaal tegelijk zouden neerstrijken", denkt Mager, en hij ziet de krantenkop al:
Linde bezwijkt onder gewicht zweefvliegen
In de schemer stijgt uit de aarde die intense tuingeur op, die je alleen ruikt op boerderijen. Ergens ver achter de heggen loeit klagelijk een koe, steeds opnieuw. Wat betekent dat? Bij de stallen schopt de grote Fries een emmer om, vanuit de keuken komt het geluid van pannen bij de afwas. Boven dat alles uit het hoge miauwen van een buizerd. Mager beseft dat hij nergens iets van af weet.


28 juli 2013 

Een voorde in de Lethe

Mijn vriendin reist veel meer dan ik en is dan ook vaker alleen onderweg. Soms klaagt ze erover dat ze dan haar ervaringen niet kan delen. Niet direct delen althans, want ze maakt veel video-opnamen, die ze mij thuis laat zien. Gisteren kwam ze terug van een vogelaarstrip op Lesbos en ‘s avonds bekeken we de video’s.
Na zwarte ooievaar (Ciconia nigra), de bijeneter (Merops apiaster) en het woudaapje (Ixobrychus minutus), toonde de camera een ondiep stuk in een stroompje. Opeens trof mij een gevoel van herkenning. 
“Kijk, zei ik, daar is hij dan: de doorwaadbare plaats. Bij Caesar en bij Xenofon: altijd weer gezoek naar de doorwaadbare plaats. Dit is een mooi exemplaar! Ik herinner me alleen het Latijnse woord ervoor niet… En het Griekse al evenmin. Ik weet zelfs niet of het Nederlands er wel een enkel woord voor heeft.”
“In het Engels is het ford,” zei mijn vriendin.
“Ford? Ah, nu weet ik het: voorde! Ons woord voor doorwaadbare plaats is voorde! Ik ken dat woord uit de vertaling van At Swim-Two-Birds van Flann O’Brian. De voorde! “


Vandaag denk ik er nog over na. Bij doorwaadbare plaatsen worden nu geen steden meer gesticht, de voorde lijkt geheel uit ons leven verdwenen. Wat was eigenlijk het criterium van doorwaadbaarheid? Tot de knieën? Tot het middel, de borst? Ik herinner me een stuk van Nicolaas Matsier over hoe hij met een vriend Xenofons' Tocht der Tienduizend nareist door Turkije en aan de hand van de tekst van de Anabasis op zoek gaat naar een doorwaadbare plaats in de Kentrites (Κεντρίτης, oostelijke zijrivier van de Tigris, ten noorden van het Carduchengebied). Dankzij die doorwaadbare plaats konden de Grieken zich redden uit hun benarde positie in november 401 voor Christus (Boek IV, Hoofdstuk 3). Waar staken ze toen precies over? Dat willen de nareizigers graag met eigen ogen zien. Bij de oude stad Siirt (vroeger: Sort) lopen ze naar de rivier. Op een aannemelijk punt probeert Matsier dan in onderbroek de rivier over te steken. Als hij tot zijn oksels in het water komt te staan roept hij: “Met wapens kom ik hier niet door!” (Een sluimerend systeem, Bezige Bij 1998, p. 251)
Het lijkt mij een goede maatstaf: doorwaadbaar is een plaats waar een leger met volledige bewapening en uitrusting, zonder door de stroom te worden meegevoerd, te voet en te paard aan de overkant van een rivier kan komen.

Ik lees de hele scene nog een keer na in mijn oude schooluitgave van de Anabasis (de tekst doorschoten met balpointblauwe vertaalstreepjes). Doorwaadbare plaats is hier: διάβασις.

Google geeft zelfs een bordspel met de ontsnapping van de Grieken onder Xenofon (en de handige Cheirisofos):

Approaching the River Centrites, Xenophon found that the satrap of Armenia had occupied the far bank. The situation was desperate, but the next morning a better ford higher up the river was found, and to it the Spartans marched. The stage is set. The battle lines are drawn and you are in command. Can you change history?

In De Bello Gallico (Boek VII) vind ik doorwaadbare plaatsen tot in een moeras:
19. Het was een van de voet af zacht oplopende heuvel. Bijna van alle kanten was de heuvel omringd door een moeras, dat niet breder was dan 50 voet, maar gevaarlijk en moeilijk om er zich een weg door te banen. 
Hoc se colle interruptis pontibus Galli fiducia loci continebant generatimque distributi in civitates omnia vada ac saltus eius paludis obtinebant sic animo parati, ut, si eam paludem Romani perrumpere conarentur, haesitantes premerent ex loco superiore.
De bruggen erover waren afgebroken. In vertrouwen op de gunstige gesteldheid van het terrein, bleven de Galliërs, naar de stammen en landen verdeeld, op deze hoogte staan en hadden alle doorwaadbare en smalle vaste plaatsen van het moeras bezet, vast besloten, de Romeinen, indien die zich een weg er door trachtten te banen en bleven steken, vanuit hun hoger gelegen stelling aan te vallen.
Ach ja, doorwaadbare plaats is vadum, en vadare is doorwaden.

De jonge Julius Caesar veroverde trouwens de hoofdstad van Lesbos Mytilene 30 jaar vóór dat Gallische moeras. En volgens Suetonius werd hij daarvoor met de eikenkrans onderscheiden. Hoewel hij toen nog niet zijn kaalheid hoefde te verbergen was hij er erg gelukkig mee.

Maar waar leidt die doorwaadbare plaats nu heen? In de onlangs verschenen bundel De bedelaar en andere verhalen van Fernando Pessoa lees ik:

“Wanneer ik iets moois zie, zegt Goya in een beroemde dichtregel, wou ik dat ik met zijn tweeën was geweest.
Wou ik dat ik met zijn tweeën was geweest.
En hij had met zijn tweeën willen zijn om te kunnen praten, om zijn verrukking over te kunnen brengen.”

Dat is misschien het mooiste: samen aan de gevonden voorde staan en aan elkaar vertellen hoe sterk je je nu verbonden voelt met die opgeluchte Xenofon in 401 of die tobbende Caesar 350 jaar daarna.



22 mei 2013

Early spring blues revisited

Ik hoor net uit de radio dat het democratisch tot stand gekomen "koningslied" is teruggetrokken. Vóór het zingen de kerk uit was mijn eerste gedachte - al is dat nou juist nooit de sterkste kant geweest van onze koninklijke familie. Maar ik vind het oprecht jammer van dat lied. Want niet vaak trof een tekst zó raak de historische domheid en ongeletterdheid van het oranjevolk.

De feestcommissie zou ik dan ook willen toeroepen: "Een beter lied laten maken is volkomen onlogisch! Vergeet het!" Maar het is, besef ik nu, tegelijk weer typisch Nederlands: een manier om van twee walletjes te eten. Het is als met het geloof hier te lande: niet meer naar de kerk gaan maar wel halfzacht in een soort van opperwezen blijven geloven.

Van twee dingen een: óf je gelooft en neemt de kerk met al z'n poespas en spelregels erbij óf je verwerpt het hele spelletje van predestinatie en man-met-baard-op-wolk. Hetzelfde geldt voor het koningslied. Of je dweept met oranje en joelt met z'n allen die oliedomme tekst óf je wijst het erfelijk koningschap als instituut af.

Maar de benarde commissie zal wel weer naarstig op zoek gaan naar een ander koningslied. Ik wil toch graag helpen en herhaal hierbij mijn eerder gedane suggestie (en ik geef nu de volledige tekst):

Alle dwazen dwepen met oranje
Falderalderappes
Falderalderare
Alle dwazen dwepen met oranje
Fal, fal, falderalderalderaldera!

Het kost niks, de muziek kent iedereen en het lijkt me iets geweldigs om het gehele Nederlandse volk dit lied unisono, dat is: als uit één mond, op 30 april om half acht te horen galmen, terwijl de koning - met gebogen hoofd en tot tranen geroerd - toeluistert.


Zondagmorgen, 21 april 2013


New Street Art


De straat, altijd weer de straat, die onvoorspelbare combinatie van opzet en toeval. Langs de stoeprand waait een krant, een boom laat wat blaadjes vallen, een auto rijdt een paaltje omver. Een man maakt een foto van een beschilderde muur, een bekende actrice loopt er voor langs op het moment dat hij afdrukt. De straat is het steeds veranderende decor van coïncidenties en improvisaties op het thema moedwil en misverstand.

Een vriend van mij, dezelfde die ik citeerde in De bouwplaat, verhuisde in 2008 van Amsterdam naar Londen. Toen hij daar de omgeving ging verkennen, ontdekte hij overal in zijn buurt street-art van een bijzonder hoog niveau. Hij kocht een kleine digitale camera en begon alle pieces die hij mooi vond te fotograferen. En hij besloot die foto’s bij elkaar te zetten op Flickr. 
Met de hem kenmerkende vasthoudendheid ontstond zo al gauw een omvangrijke documentatie. En nu, vijf jaar later, is er ook het boek: New Street Art.



Het is een soepel, precies vierkant (211 x 211 mm) boek geworden, dat ik sinds ik het in handen kreeg maar moeilijk kan loslaten. De selectie van de werken is van grote kwaliteit, de foto's zijn helder en subtiel en de ogenschijnlijk bescheiden stukjes tekst bieden een schat aan informatie. De vormgeving geeft prioriteit aan de platen, op elk van de 272 pagina’s één of meer, en daar gaat het hier natuurlijk ook om. Maar in de bijschriften weet Claudelondon veel over de makers en hun werk te vertellen, onderzoekt hij de mores van de street-art en doet hij bovendien het – soms komische - relaas van zijn eigen avonturen bij de jacht op schimmige street-artists. Zo mengt hij de persoonlijke geschiedenis van de kunstenaars, die uit alle windstreken komen, op een natuurlijke manier met z'n eigen verhaal. Dwaalgasten onder elkaar.

New Street Art lezen blijkt vooral een vrolijk stemmende ervaring. Lezen is als lopen (zie ook: Ballon maakt furore) en dit boek is daar een sterk bewijs van: alsof ik mee op jacht was door de straten van Shoreditch, sloeg ik telkens met opgewonden verwachting de bladzijde om zoals je een hoek omslaat - om te zien wat de volgende straat te bieden heeft. Haastig, want veel pieces is geen lang leven beschoren. Toch is dat voor mij juist de essentie van de street-art: het vergaan van een piece in weer en wind, street-art als ode aan de tijdelijkheid van de straat.

Omdat ik Claudelondon ooit als vogelaar heb leren kennen, verwachtte ik in zijn boek minstens een uitklapbare plattegrond van de wijk met zo'n confetti van kleurige cijfertjes ("gevallen per locatie"), een kaart met overlappende cirkels ("broedverspreiding") en een die de verschillende trekpatronen in beeld zou brengen. En dan ook natuurlijk de app waarmee iedereen zelf door Oost Londen kan gaan speuren. Maar dat alles ontbreekt en ik mis het eigenlijk niet. De straat is in voortdurende verandering; stoep wordt opgebroken, nieuwe paaltjes verschijnen, muren gaan tegen de grond. Street-art is onderdeel van het straatleven en de pieces blijken vaak vluchtiger dan de vogels.

Het ongeregisseerde, of liever: het ongetemde, is het sterkste kenmerk van de street-art. Het is een uiting van onderop, letterlijk: van de straat. En als zodanig het tegendeel van de van bovenaf georganiseerde stadsverfraaiing. Ook al laat een enkele bekend geworden street-artist zich inhuren door de overheid om schuttingen rond problematische bouwputten te beschilderen (zoals Shepard Fairey alias Obey deed rond het Amsterdamse Centraal Station).

Mijn favoriete onderdeel van het boek is dan ook de grijsgetinte sectie achterin, The unknown artistsOp de een of andere manier is dat voor mij de ware street-art, de echte kunst-in-het-wild: de hardnekkig anonieme pieces, waarvan zelfs de fanatieke Claudelondon de makers niet heeft kunnen traceren. Anoniem als een stoeprand of een lantaarnpaal of een passerende kat. Maar even onmiskenbaar aanwezig. Ik ben blij dat hij zo sportief is geweest om deze sectie in zijn boek op te nemen. Way to go, BrunaDude!

Plate service

Je kunt schrijven wat je wilt, de meeste reacties krijg je op de plaatjes. Tenminste, dat is mijn ervaring. Daarom hierbij "op veler verzoek" nog een kleine week ontbijtbordjes. En dan is het mooi geweest. Ik wil er nog wel even bij vermelden dat ik ze ooit begon te fotograferen om te kijken hoe de "gezichtsherkenning" van mijn simpele digitale camera'tje (Canon IXUS 100 IS) zou reageren; dit in het kader van mijn onderzoek naar wat nog herkend wordt als "een gezicht".








Het is aardig om de hagelslag-portretjes door manipulatie van het bord te verstoren en dan te kijken wanneer de herkenbaarheid ophoudt. Hieronder een paar voorbeelden:













NOTA BENE: Zoals boven te zien is, mag een kaaskorstje o.i.d. in de voorstelling worden opgenomen. Mijn enige regel is dat de hagelslag niet gebroken, versneden of anderszins gemanipuleerd wordt, zij moet zoals ze uit het doosje kwam (handmatig) gelegd worden.


21 maart 2013


Early spring blues


Gisteren had ik met een vriend om vier uur bij de universiteit afgesproken. Toen ik kwam aanfietsen zag ik het al: alle fietsenrekken waren barstensvol. Een man met op zijn pak FIETSBEHEER zag mijn blik: "Jongeman, in de kelder is nog plaats; volg de borden". Dat deed ik en betrad via een betonnen trap een halfduistere spelonk, waar een vuile berenlucht hing. Op de betonnen vloer stond een decimeter bruin lekwater. 

Terwijl ik mijn kettingslot door het voorwiel haalde, dacht ik aan al die fietsenkelders en parkeergarages en aan heel dat ondergrondse deel van het stadsleven dat zo totaal unheimisch, vervuild en onherbergzaam is. Terwijl bovengronds steeds meer luxe straatinrichting met marmer, hardhout, glanzend graniet en puur natuursteen de rijkdom etaleert.

Het gaat er blijkbaar niet om de menselijke omgeving aangenaam te maken, alleen het aangezicht moet opgepoetst. Het is reclame-politiek (zoals de PvdA in de jaren negentig op elk probleem in "de wijken" reageerde met de aanleg van sierbestrating en de pitbull verbaasd omkeek naar zijn in glanzend marmer spiegelende drol), het is als Facebook: alleen kamerbrede smiles van verblindend witte tanden, de allesoverheersende cult van de façade.

Bovengronds geweldige sensatie-architectuur, ondergronds de naakte smerigheid. De goot van het pretpark. Célines' beschrijving (in de Reis naar het einde van de nacht) van de ondergrondse schijthuizen in New York schoot me te binnen en op de trap naar het licht zong ik zachtjes Dylans' Talkin’ New York:

People goin’ down to the ground
Buildings goin’ up to the sky

In het studentencafé, moesten we eerst samen bekomen van de verbijsterende media-aandacht in dit land voor de “pausverkiezing” (het acht-uur Journaal zette eigenhandig de klok vijftig jaar terug) en daarna bespraken we wat we op die onontkoombare, gedoemde dag aan het einde van april konden doen (Radio 1 jengelt: “Wijs ons Beschermpaard de weg en geef dit weekend Kroonappels”). Waarheen te gaan om aan het valse feestgetoeter en het tergende tobbedansen te ontkomen? Duitsland leek ons de snelste optie.

Hier blijven en protesteren? Dat verwordt onontkoombaar tot zwak gemummel in de marge, de jonge studenten om ons heen zouden we niet meekrijgen, die leken elk feestje “vet” te vinden.  Je uitzinnig gedragen, uit je dak gaan en dat dan liefst met z’n allen. Iedere excuus grijpen ze ervoor aan, ze kunnen er geen genoeg van krijgen. Wegwezen leek ons de enige optie. Bij de fietsenkelder suggereerde mijn vriend nog deze stickertekst om overal aan te plakken:

ALLE DWAZEN DWEPEN MET ORANJE

Ik ben niet zo'n plakker, maar hij bleef nog lang in mijn hoofd zingen, op de wijs van Alle eendjes zwemmen in het water.


14 maart 2013

Licht en donker

Zoals de titel van mijn blog al suggereert, ben ik geen liefhebber van "de feestdagen". Deze keer heb ik mij voor de laatste tien dagen van het jaar teruggetrokken op het boerenland, waar zelfs de uitbundigste feestelijkheid doeltreffend verdund en verdreven wordt door de grote regen boven de velden en de windvlagen langs de kale takken.

Het is kerstavond. Bij de invallende duisternis loop ik in mijn rubberlaarzen langs verwaterde boerenkoolstronken en ik passeer de warmverlichte stallen waar boven het verse hooi de grote paarden stil de nacht staan af te wachten.

Op mijn kamer kijk ik op mijn laptop naar radio 1: "De Grote Gerard Reve Show''. Het bevalt me maar matig. Rond twee radiomannen zitten een paar deskundigen, en zoals altijd is er een verstandig mens bij en een oliedomme zwetser. En die laatste krijgt van de radiomannen ruim de gelegenheid om zijn stopzinnige cliché's te debiteren. De anderen straffen hem niet af, maar gaan er ernstig op in. Voor wie is dit alles bedoeld? De liefhebber leert niets nieuws en ergert zich, de leek hoort een groepje heren-op-leeftijd over een dode schrijver keuvelen.

Bij zo'n programma hoop je dat de 14-jarige Gerard van het Reve de studio binnenkomt en zegt: "Zijn jullie nog steeds bezig met etymologie? Jullie vinden jezelf wel erg belangrijk geloof ik, niet?"*

's Nachts in bed drukt het inktzwarte donker zwaar op mijn open ogen.


Tweede Kerstdag 2012

* Nop Maas, Gerard Reve, Kroniek van een schuldig leven, deel 1 - De vroege jaren 1923-1962, Hoofdstuk 3, p. 103






Hermans en koorts

Ik lag met griep in bed en mijn vriendin bracht mij wat fruit en De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans, in de gratis editie die ze net gehaald had bij de bibliotheek ("Ze zeiden: O ja, de rode boeken! Er ligt er nog één!"). Inderdaad een rode pocket, precies van het goede formaat en de vereiste zachtheid om in bed te lezen.
"Alsjeblieft, dan lees je eindelijk iets anders dan altijd weer Reve!"
Dit voorjaar had ik alleen De avonden herlezen (in de facsimile uitgave van 2001), dus het viel nog wel mee.

Hoewel dit zeker de beste dagen van het jaar zijn om Reve's debuutroman uit 1947 te genieten. Op tweede kerstdag 1946 (= hoofdstuk 5 in het boek) noteerde de 23-jarige Reve het plan om zijn eigen wereld van de afgelopen vier en de komende zes dagen in tien hoofdstukken te beschrijven. Hij begint meteen en laat Frits Egters (inderdaad: toen nog niet van Egters) vier dagen daarvoor ontwaken. Tien dagen later heeft Reve de eerste versie van die eerste dag (= hoofdstuk 1) klaar, geschreven in het kamertje van Frits, die zelf niet schrijft. Hij gaat gedreven door en het komplete manuscript is af op 17 mei 1947.
Dat Frits een Reve is die niet schrijft, heeft mij vanaf de eerste lezing gefascineerd en was het niet Hermans die in zijn bespreking van De avonden in Criterium van januari 1948 schreef : "Hij (Reve) schijnt zich afgevraagd te hebben: Hoe zou ik zijn wanneer ik niet schreef, wat zou er van mij overblijven?''

Hermans en Reve (waarschijnlijk in Reve's huis op Galerij 14, zomer 1954, foto Cas Oorthuys)
 
Met deze gedachten in mijn zere kop viel ik aan op Hermans. "...Dagenlang zwierf hij rond op zijn vlot, zonder drinken." Mijn vriendin bracht thee en ging eten halen. Toen ze terug kwam was ik al over de helft van Osewoudt's Werdegang en op mijn enthousiasme reageerde ze met "Zo, en daar is geen woord Reve bij."
Maar toen ze s'avonds naar huis toe ging kon ik haar nog net toeroepen, dat ik totaal onverwacht (ik las De donkere kamer voor het eerst) in Hermans' filmische verhaal een prachtige cameo van Reve had gevonden!
"Je ijlt", zei ze, door de koorts zie overal Reve." Ik moest overeind komen en bladzij 204 opslaan, en haar met schorre stem voorlezen:

"De cultuur is een machtige verworvenheid van het mensdom", zei nu een tweede jongen. Hij liet een boer na die woorden. Hij had ingevallen puistige wangen en dicht rechtopstaand krulhaar. Het meisje zei: "Simon spreekt woorden van wijsheid. Hij zou onbetaalbaar wezen als hij niet zo dikwijls hetzelfde zei.
"Hou jij je snuit dicht. Hoer. Slet, zei Simon. De scheldwoorden werden zonder stemverheffing uitgesproken. "As I was saying", vervolgde hij op dezelfde toon, "listening to repeating is often irritating, always repeating is of all living, everything in a being is always repeating, more and more listening to repeating gives to me completed understanding. Gertrude Stein. Wat krijgen we nou?"

Hermans is altijd spaarzaam en uiterst trefzeker in zijn beschrijvingen. Dit in de context opvallend gedetailleerde portret is een van zijn meest rake. Ik kon er zo gauw geen eerdere melding van vinden. Toch de koorts?
 
 
22 december 2012

 

Eindelijk eens actueel vandaag!


GRAND CONTESTED ELECTION FOR THE PRESIDENCY OF THE UNITED STATES

BLOODY BATTLE IN AFFGHANISTAN


Deze koppen komen niet uit de krant van vandaag, maar uit Herman Melville’s Moby Dick van 1851. En ik citeer eruit omdat ik de afgelopen weken eindelijk dat grote Amerikaanse epos eens echt gelezen heb. Ishmaels’ reis van kaft tot kaft is een leeservaring van grote diepgang, hoewel je meestal vanaf de ivoren Pequod over het telkens anders beschreven wateroppervlak tuurt, op zoek naar de spuit van de walvis.

“Just who is this Ishmael? Surely not just some simple merchant mariner looking for a new experience on a whaling ship” (Gregory Pittman)

Nee, stellig niet. De man die Ishmael genoemd wil worden - en direct vanaf dat verzoek een briljant schrijver blijkt - stelt aan het slot van het eerste hoofdstuk:

And, doubtless, my going on this whaling voyage, formed part of the grand programme of Providence that was drawn up a long time ago. It came in as a sort of brief interlude and solo between more extensive performances. I take it that this part of the bill must have run something like this:

"GRAND CONTESTED ELECTION FOR THE PRESIDENCY OF THE UNITED STATES.

WHALING VOYAGE BY ONE ISHMAEL.

BLOODY BATTLE IN AFFGHANISTAN."

Het programma van de Voorzienigheid is weinig veranderd sinds de afgelopen 162 jaar, en voor mij is het intermezzo, de solo van “ene Ishmael” verreweg het aantrekkelijkste deel ervan. De grootse literaire ambitie van Moby Dick is alleen vergelijkbaar met die van Joyces’ Ulysses. 

Melville's boek zou in de ideale uitgave een geheel witte kaft moeten hebben, met de titel in wit reliëf. Een ongenaakbaar wit blok. Wit als sneeuw, wit als The White Album van de Beatles, wit als Kuifje in Tibet (waarom is de Yeti niet wit? vraag je als je het prachtige hoofdstuk 42: The whiteness of the whale hebt gelezen).

In het zwarte (maar wel fluweelzacht aanvoelende!) boekje Why read Moby Dick? schetst Nathaniel Philbrick de omstandigheden waaronder Melville het boek schreef. Hij citeert het begin van hoofdstuk 85, The Fountain:


That for six thousand years- and no one knows how many millions of ages before- the great whales should have been spouting all over the sea, and sprinkling and mistifying the gardens of the deep, as with so many sprinkling or mistifying pots; and that for some centuries back, thousands of hunters should have been close by the fountain of the whale, watching these sprinklings and spoutings- that all this should be, and yet, that down to this blessed minute (fifteen and a quarter minutes past one o'clock P.M. of this sixteenth day of December, A.D. 1851), it should still remain a problem, whether these spoutings are, after all, really water, or nothing but vapor- this is surely a noteworthy thing. 

In het manuscript zou volgens Philbrick staan: 1850, de eigenlijke schrijfdatum, die later veranderd werd in het jaar van publicatie: 1851. Want het is de 31-jarige Melville zèlf die op z’n klokje kijkt en ons een glimp toont van de echte Ishmael. Multatuli zou dat 10 jaar later met veel meer misbaar in hoofdstuk 38 van zijn Max Havelaar doen.

De Nederlandse Moby Dick-vertaling van Helen Knopper uit 1987 geeft hier: “vijftien en een kwart minuut over één, ’s nachts, op zestien december van het jaar 1851”. Dat moet natuurlijk zijn: “Een kwartier en vijftien seconden over één in de middag van deze zestiende dag van december 1851”. 
Het is de enige alinea die ik vergeleken heb en zo'n blunder belooft weinig goeds. In dezelfde passage vertaalt Knopper de mistifying pots door tuinslangen.  Dat is wel grappig, nevelsproeiers komt er dichter bij, maar het is lastig.

Hoog tijd voor een nieuwe Nederlandse Moby Dick-vertaling in een geheel witte uitgave, wou ik schrijven, maar ik zie nu dat die er al drie jaar is (al is hij blauw): 604 pagina’s, uitgave Athenaeum-Polak & Van Gennep, vertaling Barber van der Pol.
De vertaalster schreef er ook een boekje over:

6 november 2012

PS Overigens hoop ik dat in die presidentsverkiezingen vandaag de kleur wit niet zal triomferen.


Tekenbordjes


                                                                                             Saul Mager, Zelfportret in hagelslag (chocola op aardewerk, 2012)















Vorige week kreeg ik van mijn moeder twee pakjes hagelslag mee naar huis. Sindsdien betrooi ik iedere morgen een beschuit met "intens pure" chocola (60% meer cacaobestanddelen!). Als ik hem op heb vormen de gemorste korrels een abstract patroon in mijn bord. Ik kan het dan niet laten om ze in iets herkenbaars te leggen. Omdat ik snel weg moet, blijft het altijd haastwerk. Het is een tijdelijke tekening, zoals met een stok in het zand of met een vinger op een beslagen ruit. Deze week vastgelegd met camera. Dank moeder!











12 september 2012

PS De hagelslagfabriek zou als reclameactie de tekenbordjes van hun klanten kunnen bakken, maar dan is de aardigheid er weer van af.